CVO GENT

INFINITIEF

OVT (enk.)

OVT (mv.)

V.D.

aankomen

kwam aan

kwamen aan

(zijn) aangekomen

aandoen

deed aan

deden aan

aangedaan

aannemen

nam aan

namen aan

aangenomen

aanwerven

wierf aan

wierven aan

aangeworven

afwassen

waste af

wasten af

afgewassen

bakken

bakte

bakten

gebakken

barsten

barstte

barstten

gebarsten

bedriegen

bedroog

bedrogen

bedrogen

beginnen

begon

begonnen

(zijn) begonnen

begrijpen

begreep

begrepen

begrepen

behangen

behing

behingen

behangen

bekijken

bekeek

bekeken

bekeken

beschrijven

beschreef

beschreven

beschreven

besluiten

besloot

besloten

besloten

bespreken

besprak

bespraken

besproken

bevallen

beviel

bevielen

(zijn) bevallen

bevelen

beval

bevalen

bevolen

bewegen

bewoog

bewogen

bewogen

bezoeken

bezocht

bezochten

bezocht

bezwijken

bezweek

bezweken

(zijn) bezweken

bidden

bad

baden

gebeden

bieden

bood

boden

geboden

bijten

beet

beten

gebeten

binden

bond

bonden

gebonden

blazen

blies

bliezen

geblazen

blijken

bleek

bleken

(zijn) gebleken

blijven

bleef

bleven

(zijn) gebleven

blinken

blonk

blonken

geblonken

braden

braadde

braadden

gebraden

breken

brak

braken

gebroken

brengen

bracht

brachten

gebracht

buigen

boog

bogen

gebogen

denken

dacht

dachten

gedacht

doen

deed

deden

gedaan

doorbrengen

bracht door

brachten door

doorgebracht

dragen

droeg

droegen

gedragen

drinken

dronk

dronken

gedronken

drijven

dreef

dreven

(hebben/zijn) gedreven

druipen

droop

dropen

(hebben/zijn) gedropen

duiken

dook

doken

(hebben/zijn) gedoken

dwingen

dwong

dwongen

gedwongen

ervaren

ervoer

ervoeren

ervaren

eten

at

aten

gegeten

fluiten

floot

floten

gefloten

gaan

ging

gingen

(zijn) gegaan

gelden

gold

golden

gegolden

genezen

genas

genazen

genezen

genieten

genoot

genoten

genoten

geven

gaf

gaven

gegeven

gieten

goot

goten

gegoten

glijden

gleed

gleden

(hebben/zijn) gegleden

glimmen

glom

glommen

geglommen

graven

groef

groeven

gegraven

grijpen

greep

grepen

gegrepen

hangen

hing

hingen

gehangen

hebben

had

hadden

gehad

helpen

hielp

hielpen

geholpen

heten

heette

heetten

geheten

houden

hield

hielden

gehouden

inbreken

brak in

braken in

ingebroken

(zich) inhouden

hield (zich) in

hielden (zich) in

(zich) ingehouden

innemen

nam in

namen in

ingenomen

invriezen

vroor in

vroren in

ingevroren

inzien

zag in

zagen in

ingezien

kiezen

koos

kozen

gekozen

kijken

keek

keken

gekeken

klimmen

klom

klommen

(hebben/zijn) geklommen

klinken

klonk

klonken

geklonken

komen

kwam

kwamen

(zijn) gekomen

kopen

kocht

kochten

gekocht

krijgen

kreeg

kregen

gekregen

krimpen

kromp

krompen

(zijn) gekrompen

kruipen

kroop

kropen

(hebben/zijn) gekropen

kunnen

kon

konden

gekund

lachen

lachte

lachten

gelachen

laden

laadde

laadden

geladen

laten

liet

lieten

gelaten

lezen

las

lazen

gelezen

liegen

loog

logen

gelogen

liggen

lag

lagen

gelegen

lijden

leed

leden

geleden

lijken

leek

leken

geleken

lopen

liep

liepen

(hebben/zijn) gelopen

meegaan

ging mee

gingen mee

(zijn) meegegaan

meenemen

nam mee

namen mee

meegenomen

meevallen

viel mee

vielen mee

(zijn) meegevallen

meten

mat

maten

gemeten

moeten

moest

moesten

gemoeten

mogen

mocht

mochten

gemogen

nadenken

dacht na

dachten na

nagedacht

nemen

nam

namen

genomen

onderzoeken

onderzocht

onderzochten

onderzocht

ontbijten

ontbeet

ontbeten

ontbeten

onthouden

onthield

onthielden

onthouden

ontvangen

ontving

ontvingen

ontvangen

ontwerpen

ontwierp

ontwierpen

ontworpen

opgeven

gaf op

gaven op

opgegeven

ophouden

hield op

hielden op

opgehouden

opladen

laadde op

laadden op

opgeladen

opnemen

nam op

namen op

opgenomen

opstaan

stond op

stonden op

(zijn) opgestaan

opschieten

schoot op

schoten op

opgeschoten

opvallen

viel op

vielen op

(zijn) opgevallen

(zich) opwinden

wond (zich) op

wonden (zich) op

(zich) opgewonden

overdrijven

overdreef

overdreven

overdreven

overlijden

overleed

overleden

overleden

oversteken

stak over

staken over

(zijn) overgestoken

overvallen

overviel

overvielen

overvallen

prijzen

prees

prezen

geprezen

raden

raadde

raadden

geraden

rijden

reed

reden

(h/z) gereden

roepen

riep

riepen

geroepen

ruiken

rook

roken

geroken

scheiden

scheidde

scheidden

(zijn) gescheiden

schelden

schold

scholden

gescholden

schenken

schonk

schonken

geschonken

(zich) scheren

schoor/scheerde

schoren/scheerden z.

(zich) geschoren

schieten

schoot

schoten

geschoten

schijnen

scheen

schenen

geschenen

(door)schuiven

schoof (door)

schoven (door)

(door)geschoven

schrijven

schreef

schreven

geschreven

schrikken

schrok

schrokken

(zijn) geschrokken

slaan

sloeg

sloegen

geslagen

slapen

sliep

sliepen

geslapen

slijpen

sleep

slepen

geslepen

sluipen

sloop

slopen

(h/z) geslopen

sluiten

sloot

sloten

gesloten

smelten

smolt

smolten

gesmolten

smijten

smeet

smeten

gesmeten

snijden

sneed

sneden

gesneden

snuiten

snoot

snoten

gesnoten

spreken

sprak

spraken

gesproken

springen

sprong

sprongen

(h/z) gesprongen

spuiten

spoot

spoten

gespoten

staan

stond

stonden

gestaan

steken

stak

staken

gestoken

stelen

stal

stalen

gestolen

sterven

stierf

stierven

(zijn) gestorven

stijgen

steeg

stegen

(zijn) gestegen

stinken

stonk

stonken

gestonken

strijden

streed

streden

gestreden

strijken

streek

streken

gestreken

tegenvallen

viel tegen

vielen tegen

tegengevallen

toegeven

gaf toe

gaven toe

toegegeven

toelaten

liet toe

lieten toe

toegelaten

trekken

trok

trokken

getrokken

uitdoen

deed uit

deden uit

uitgedaan

uitgaan

ging uit

gingen uit

(zijn) uitgegaan

uitgeven

gaf uit

gaven uit

uitgegeven

uitglijden

gleed uit

gleden uit

(zijn) uitgegleden

uitsteken

stak uit

staken uit

uitgestoken

vallen

viel

vielen

(zijn) gevallen

vangen

ving

vingen

gevangen

varen

voer

voeren

(hebben/zijn) gevaren

vechten

vocht

vochten

gevochten

verbergen

verborg

verborgen

verborgen

verbieden

verbood

verboden

verboden

verdwijnen

verdween

verdwenen

(zijn) verdwenen

vergelijken

vergeleek

vergeleken

vergeleken

vergeten

vergat

vergaten

(hebben/zijn) vergeten

verkopen

verkocht

verkochten

verkocht

verlaten

verliet

verlieten

verlaten

verliezen

verloor

verloren

(h/z) verloren

verstaan

verstond

verstonden

verstaan

vermijden

vermeed

vermeden

vermeden

vertrekken

vertrok

vertrokken

(zijn) vertrokken

vervangen

verving

vervingen

vervangen

verwijten

verweet

verweten

verweten

verzinnen

verzon

verzonnen

verzonnen

verzoeken

verzocht

verzochten

verzocht

vinden

vond

vonden

gevonden

vlechten

vlocht

vlochten

gevlochten

vliegen

vloog

vlogen

(h/z) gevlogen

vouwen

vouwde

vouwden

gevouwen

vragen

vroeg

vroegen

gevraagd

vriezen

vroor

vroren

gevroren

wassen

waste

wasten

gewassen

wegen

woog

wogen

gewogen

werpen

wierp

wierpen

geworpen

weten

wist

wisten

geweten

wijzen

wees

wezen

gewezen

willen

wilde/wou

wilden/wouden

gewild

winnen

won

wonnen

gewonnen

worden

werd

werden

(zijn) geworden

(in)wrijven

wreef (in)

wreven (in)

(in)gewreven

zeggen

zei/zegde

zeiden/zegden

gezegd

zenden

zond

zonden

gezonden

zien

zag

zagen

gezien

zijn

was

waren

(zijn) geweest

zingen

zong

zongen

gezongen

zinken

zonk

zonken

(zijn) gezonken

zitten

zat

zaten

gezeten

zoeken

zocht

zochten

gezocht

zuigen

zoog

zogen

gezogen

zwemmen

zwom

zwommen

(h/z) gezwommen

zweren

zwoor

zworen

gezworen

zwerven

zwierf

zwierven

(h/z) gezworven

zwijgen

zweeg

zwegen

gezwegen

Naar boven