|
(zich) aanpassen aan |
Ze kan zich moeilijk aanpassen aan haar nieuwe situatie. |
|
(zich) aansluiten bij |
Ben je aangesloten bij een vakbond? |
|
(zich) aantrekken van |
Je moet je niets aantrekken van dat geroddel! |
|
afhangen van |
Ga je morgen naar de zee? - Dat zal van het weer afhangen! |
|
akkoord gaan met |
Ze gaat niet akkoord met ons voorstel. |
|
antwoorden op |
De leraar antwoordde zeer duidelijk op de vragen. |
|
bang zijn voor |
Ben je bang voor het examen? |
|
(be)danken voor |
We willen u bedanken voor de mooie cadeaus. |
|
bedoelen met |
Wat bedoel je met die zin? |
|
beginnen met |
We beginnen de les met een babbeltje. |
|
beperken tot |
We beperken ons tot oefening 1 en 2. |
|
(zich) beschermen tegen |
Je moet je altijd goed beschermen tegen de zon. |
|
beslissen over |
De gemeenteraad beslist vandaag over de aanleg van het parkje. |
|
besluiten tot |
De school besloot tot de aankoop van vijf nieuwe tv's. |
|
bestaan uit |
Onze cursus bestaat uit drie hoofdstukken. |
|
besteden aan |
Hij besteedt veel tijd en geld aan zijn auto. |
|
bevallen van |
Ze is bevallen van haar tweede kindje. |
|
bezig zijn met |
De kinderen zijn druk bezig met tikkertje spelen. |
|
bidden om |
We bidden om een goede gezondheid. |
|
bidden tot |
De gelovigen bidden tot God. |
|
blij zijn met |
Ben je blij met je nieuwe huis? |
|
boos zijn op |
Ik kan nooit lang boos zijn op jou! |
|
dansen met |
Op dit liedje heb ik voor het eerst met mijn vrouw gedanst. |
|
deelnemen aan |
Wil je deelnemen aan de wedstrijd? Vul dan dit formulier in. |
|
delen met |
Het jongetje deelt zijn snoepjes met zijn vriendjes. |
|
denken aan |
Ze denkt aan haar familie. |
|
denken over |
Ze denkt over de vakantie: welke reis zullen ze kiezen? |
|
dreigen met |
De leraar dreigt met extra huiswerk als we niet opletten. |
|
dwingen tot |
De man dwingt zijn hond tot zitten. |
|
eindigen op / met |
En we eindigen met een dessertje! |
|
eisen van |
De baas eist discipline van zijn arbeiders. |
|
feliciteren met |
Gefeliciteerd met je verjaardag! |
|
gelden voor |
Werkwoorden achteraan: deze regel geldt voor alle bijzinnen! |
|
geloven in |
Geloof jij in sprookjes? |
|
genieten van |
Eindelijk kunnen we nog eens van de zon genieten! |
|
helpen met |
Zal ik je helpen met de afwas? |
|
herkennen aan |
Je kan een politieagent gemakkelijk herkennen aan zijn uniform. |
|
hopen op |
Ik hoop op een gemakkelijk examen. |
|
houden van |
Ja, we houden allemaal van Nederlands! |
|
(zich) interesseren voor |
Hij interesseert zich voor moderne kunst. |
|
kiezen voor |
Als je gezond wil eten, kies je best voor seizoensproducten. |
|
klagen over |
Onze buren klagen nooit over lawaai! |
|
lachen met / om |
Met deze film hebben we ons ziek gelachen! |
|
leiden tot |
Vet eten kan leiden tot hartproblemen. |
|
lenen aan |
Leen jij soms geld aan vrienden? |
|
lenen van |
Wie een huis wil kopen moet vaak geld lenen van de bank. |
|
leren voor |
De buurjongen leert voor kok. |
|
leven van |
Hij leeft van een klein loontje. |
|
leven voor |
Ze leeft voor haar vak. |
|
lezen over |
Hij las een interessant artikel over acupunctuur. |
|
liegen over |
Ze liegt over haar leeftijd. |
|
liegen tegen |
Beloof dat je nooit tegen me zal liegen. |
|
lijden aan |
Hij leed aan kanker. |
|
lijden onder |
De bevolking lijdt onder oorlog en armoede. |
|
lijken op |
Ze lijkt echt op haar papa. |
|
luisteren naar |
Luister je soms naar klassieke muziek? |
|
meedoen met / aan |
Doe je mee aan onze quiz? |
|
meegaan met |
Kom maar met mij mee naar het secretariaat. |
|
mengen met |
Meng de bloem met de melk en de eieren. |
|
merken van |
Ik heb niets van het lawaai gemerk! |
|
nadenken over |
Hij denkt na over zijn carrière. |
|
noemen naar |
Het meisje is genoemd naar haar oma. |
|
(zich) oefenen in |
We moeten ons oefenen in zinnen maken. |
|
omgaan met |
Hij is boos op zijn oom en wil niet meer met hem omgaan. |
|
onderhandelen over |
De regering onderhandelt over de overname van de bank. |
|
ophouden met |
Wanneer houdt het nu eindelijk op met regenen? |
|
opkomen voor |
We moeten opkomen voor het milieu. |
|
opkomen tegen |
We moeten opkomen tegen milieuvervuiling. |
|
oppassen voor |
Pas op voor de hond! |
|
opschieten met |
Kan jij goed opschieten met je buren? |
|
overgaan naar |
Na een goed examen kan je overgaan naar het volgende niveau. |
|
overtuigen van |
Ik ben er niet van overtuigd dat je gelijk hebt. |
|
overlijden aan |
Mijn oma is overleden aan een beroerte. |
|
praten met |
We praten graag met elkaar. |
|
praten over |
We praten over onze hobby's. |
|
proeven van |
Proef eens van de soep! |
|
protesteren tegen |
Ze protesteren tegen de nieuwe autostrade. |
|
reageren op |
Hoe reageerde ze op het goede nieuws? |
|
rekenen op |
Bij problemen kan je altijd op zijn hulp rekenen. |
|
roepen naar |
De kinderen roepen naar hun vriendjes. |
|
roepen om |
Ze roept om hulp. |
|
roepen tegen |
Hij is boos en roept tegen haar. |
|
schelen aan |
Er scheelt iets aan mijn fiets. |
|
schieten op |
De agent schoot op de inbreker. |
|
schrijven naar |
Hij schrijft een briefje naar zijn vrouw. |
|
schrijven over |
Ze schrijven in de krant over onze school. |
|
schrikken van |
Ik schrok van zijn reactie. |
|
slagen in / voor |
Ik zal slagen voor het examen. |
|
snappen van |
Dit is te moeilijk, ik snap er niets van. |
|
spelen met |
Het katje speelt met een bolletje wol. |
|
spreken met |
Kan ik met dokter Dewit spreken? |
|
spreken over |
Ze wil niet over haar problemen spreken. |
|
stemmen op |
Stem jij altijd op dezelfde partij? |
|
stemmen over |
Ze stemmen morgen over de nieuwe wet. |
|
sterven aan |
Hij is gestorven aan een hartaanval. |
|
stoppen met |
Hij is gisteren gestopt met roken. |
|
studeren voor |
Studeer je wel genoeg voor je examen? |
|
telefoneren met |
Ik heb gisteren zeker een halfuur met haar getelefoneerd. |
|
telefoneren naar |
Vergeet niet naar de dokter te telefoneren! |
|
toelaten tot |
De lerares laat hem niet toe tot het volgende niveau. |
|
toevoegen aan |
We moeten dit werkwoord toevoegen aan onze lijst. |
|
trouwen met |
Ze is getrouwd met haar grote liefde. |
|
uitkijken naar |
We kijken al uit naar het feest! |
|
uitnodigen op / voor |
Je bent van harte uitgenodigd op m'n verjaardagsfeestje. |
|
uitzien op |
De hotelkamer ziet uit op de zee. |
|
vechten met |
Hij vecht met zijn broertje. |
|
vechten tegen |
De rebellen vechten tegen het leger. |
|
vechten voor |
Ze vechten voor onafhankelijkheid. |
|
veranderen aan |
Heb je iets veranderd aan je haar? |
|
(zich) verbazen over |
Ze verbaast zich over zijn boosheid. |
|
verdelen in |
Wil je de taart in 8 stukken verdelen? |
|
verdelen onder |
We zullen de snoepjes onder elkaar verdelen. |
|
vergelijken met |
Hij vergelijkt zijn auto met de auto van de buren! |
|
(zich) vergissen in |
Ze heeft zich niet vergist in zijn kwaliteiten. |
|
verlangen naar |
Verlang je ook zo naar de zon? |
|
(zich) verontschuldigen voor |
Hij verontschuldigt zich voor zijn onbeleefde vraag. |
|
vertellen over |
We vertellen 's avonds over onze dag. |
|
vertrouwen op |
Het komt wel goed, vertrouw maar op mij. |
|
verwachten van |
Wat verwacht je van de nieuwe cursus? |
|
(zich) verzekeren tegen |
Je moet je verzekeren tegen brand. |
|
vluchten voor |
De wandelaars vluchten voor de regen. |
|
voelen voor |
Voel je iets voor haar? |
|
voldoen aan |
Deze fiets voldoet niet aan de veiligheidsnormen. |
|
vragen aan |
Als je het niet begrijpt, vraag het dan aan je leerkracht. |
|
vrezen voor |
De dokters vrezen voor een epidemie. |
|
waarschuwen voor |
Ik wil je waarschuwen voor mijn hond. |
|
wachten op |
We wachten al een halfuur op de bus. |
|
wennen aan |
Het is altijd even wennen aan nieuwe schoenen. |
|
zakken voor |
Ze is gezakt voor het examen! |
|
zorgen voor |
Ze zorgt voor het huishouden. |
|
zwijgen over |
Zwijg over de verrassing! |