Stop navigatie

Oefening 2

Schrijf 'want' of 'omdat'.

1. Milan kan geen piloot worden hij een bril draagt.

2. We kunnen niet picknicken het regent te hard.

3. Kathy houdt van Dries hij zo lief is.

4. Je kan nu niet buiten zwemmen het vriest 10° C onder nul.

5. Hij verhuist naar Marokko hij hier geen werk vindt.

6. Kauwgom is verboden mensen hem onder de bank kleven.

7. Stijn speelt prachtig piano hij elke dag 5 uur oefent.

8. Mijn vader leert Russisch hij is hertrouwd met een Russische.

9. Mijn vrouw wil naar het platteland ze mist ruimte.

10. Honden moeten aan de leiband ze storen andere mensen.

JavaScript Inschakelen