Stop navigatie

Oefening 1

Schrijf 'want' of 'omdat'.

1. Ik moet vertrekken het tijd is.

2. Mijn buurman rijdt met de fiets hij staat niet graag in de file.

3. Auto’s moeten hier vertragen er veel kinderen wonen.

4. Karel belt mij op hij wil niet alleen naar de film.

5. het morgen weekend is, kunnen we naar zee.

6. Het is glad op de weg de mist aanvriest.

7. Hij geeft een feestje hij is jarig.

8. Er is geen koffie het koffiezetapparaat is kapot.

9. Ze luistert naar de radio ze een goede uitspraak wil.

10. Ik eet veel fruit fruit bevat veel vitamines.

11. Veel kinderen zijn te dik zij te veel vet eten.

12. Hij drinkt geen koffie hij van koffie niet kan slapen.

13. Ik eet nooit platvis platvis bevat veel kwik.

14. Wij eten ’s avonds geen frieten frieten liggen op je maag.

15. Onze baby mag geen appelsien eten hij heeft diarree.

JavaScript Inschakelen