CVO GENT

Infinitief en stam

De infinitief eindigt altijd op -n, en bijna altijd op -en.

Bv. spelen, werken, zijn, doen, fietsen, ...

De stam van een werkwoord = infinitief zonder -n of -en = de ik-vorm van de OTT.

Bv. werken - stam = (ik) werk


OTT

Met de Onvoltooid Tegenwoordige Tijd (= OTT = presens) vertel je wat er nu gebeurt.

Vervoeging

enkelvoud 1ste persoon ik werk
2de persoon jij werkt / u werkt
3de persoon hij / zij / het werkt
meervoud 1ste persoon wij werken
2de persoon jullie werken
3de persoon zij werken

DUS: 


Voorbeelden:

dansen wonen stoppen reizen schrijven
ik dans woon stop reis schrijf
jij danst woont stopt reist schrijft
hij/zij/het danst woont stopt reist schrijft
wij dansen wonen stoppen reizen schrijven
jullie dansen wonen stoppen reizen schrijven
ze dansen wonen stoppen reizen schrijven

Speciale werkwoorden:

zijn hebben
ik ben ik heb
jij bent jij hebt
u bent u hebt / heeft
hij / zij / het is hij / zij / het heeft
wij zijn wij hebben
jullie zijn jullie hebben
zij zijn zij hebben


Inversie

Als jij of je als subject na het werkwoord staat, krijgt het werkwoord geen -t.

Bv. Jij krijgt een cadeautje voor jouw verjaardag.
             maar ! Krijg jij een cadeautje voor jouw verjaardag?

Bv. Je draagt een sjaal in de winter.
             maar ! In de winter draag je een sjaal.

Naar boven


VTT

Met de Voltooid Tegenwoordige Tijd (= VTT = perfectum) beschrijf je het verleden.

Regelmatige werkwoorden

De VTT bestaat uit 2 werkwoorden:

- een persoonsvorm van hebben of zijn.

- een voltooid deelwoord (VD = participium) van een ander werkwoord.

Het voltooid deelwoord (VD = participium) van de regelmatige werkwoorden vorm je als volgt:

ge + stam + t ge + stam + d

+t :

de laatste letter van de stam =

-t, -k, -f, -s, -ch, -p  

(= een medeklinker van het woord

't kofschip)

Bv. werken → ge-werk-t

Bv. maken → ge-maak-t

Bv. stappen → ge-stap-t

+d :

de laatste letter van de stam ≠

-t, -k, -f, -s, -ch, -p 

(= geen medeklinker van het woord

't kofschip)

Bv. studeren → ge-studeer-d

Bv. spelen → ge-speel-d

Bv. trouwen → ge-trouw-d

Enkel regels:

geen ge- bij werkwoorden met be- / ge- / her- / ver- / ont-

Sommige werkwoorden beginnen met be- / ge- / her- / ver- / ont-
Deze werkwoorden krijgen geen ge- in het voltooid deelwoord.


v → f  en z → s

infinitief stam voltooid deelwoord
proeven proef maar: geproefd
durven durf maar: gedurfd
reizen reis maar: gereisd
verhuizen verhuis maar: verhuisd

geen dubbele -t of -d op het einde

infinitief stam voltooid deelwoord
praten praat gepraat
antwoorden antwoord geantwoord

Als de stam eindigt op -t of -d, krijgt het voltooid deelwoord geen extra -t of -d.


Onregelmatige werkwoorden

De onregelmatige werkwoorden moet je studeren (zie lijst).


"Hebben" of "zijn"

De meeste werkwoorden gebruiken "hebben".

Bv. Ik heb geluisterd. / Wij hebben gewacht.

Sommige werkwoorden gebruiken "zijn":

park
lopen Hij loopt naar het park. Hij loopt in het park.
Hij is naar het park gelopen. Hij heeft in het park gelopen.
wandelen Ik heb in het park gewandeld Ik ben naar het park gewandeld.
vliegen Hij heeft nog nooit gevlogen. Hij is naar Parijs gevlogen.
lopen Ik heb een uur gelopen Ik ben de kamer uit gelopen.
springen Ze hebben tijdens de les gesprongen. Het kind is van de stoel gesprongen.


VTT met infinitieven

OTT (presens) VTT (perfectum)
1 ww Ik zit op de bus.
Ik heb op de bus gezeten

Hebben of zijn + VD (participium)

2 ww Hij zit in de les te bellen.
Hij mag niets eten. 
Hij heeft in de les zitten bellen.
Hij heeft niets mogen eten.

Hebben of zijn + INF 1 + INF 2

Als een zin 2 of meer werkwoorden heeft, gebruik je de "VTT met infinitieven".

Dit komt voor bij de volgende werkwoorden:

! Opgelet:

Naar boven


OVT

Met de Onvoltooid Verleden Tijd (= OVT = imperfectum) beschrijf je het verleden.

Regelmatige werkwoorden

stam + te / ten stam + de / den

+te/ten :

de laatste letter van de stam =

-t, -k, -f, -s, -ch, -p

(= een medeklinker van het woord

't kofschip)

Bv. werken:

ik/jij/hij/zij  werk+te

wij/jullie/zij  werk+ten

+de/den :

de laatste letter van de stam ≠

-t, -k, -f, -s, -ch, -p

(= geen medeklinker van het woord

't kofschip)

Bv. studeren:

ik/jij/hij/zij  studeer+de

wij/jullie/zij  studeer+den

Enkele regels voor de spelling:

v  →  f   en   z  →  s

infinitief stam OVT (imperfectum)
proeven ik proef MAAR ik proef-de
reizen ik reis MAAR ik reis-de

werkwoorden waarvan de stam eindigt op -t of -d

infinitief stam OVT (imperfectum)
praten ik praat ik praat+te
antwoorden ik antwoord ik antwoord+de


Onregelmatige werkwoorden

Deze woorden moet je studeren (zie lijst).

Naar boven



Toekomst

Met de toekomende tijd (futurum) druk je de toekomst uit.

De toekomst kan je op 3 manieren beschrijven.

met de OTT (= presens)

In combinatie met woorden zoals: 

volgende week, volgende maand, volgend jaar, over een week, over een jaar, morgen, overmorgen,...

Bv. Volgende week verhuis ik naar Brussel.

Bv. Na het weekend begint ze met haar nieuwe job.


met GAAN + infinitief

enkelvoud 1ste persoon ik ga + infinitief
2de persoon jij gaat + infinitief
3de persoon hij/zij/het gaat + infinitief
meervoud 1ste persoon wij gaan + infinitief
2de persoon jullie gaan + infinitief
3de persoon zij gaan + infinitief

Structuur: S + PV + Rest + andere werkwoorden

Bv. Hij gaat een brief schrijven.

Bv. Wij gaan morgen onze familie bezoeken .


met ZULLEN + infinitief

enkelvoud 1ste persoon ik zal + infinitief
2de persoon jij zal + infinitief
3de persoon hij/zij/het zal + infinitief
meervoud 1ste persoon wij zullen + infinitief
2de persoon jullie zullen + infinitief
3de persoon zij zullen + infinitief

Structuur: S + PV + Rest + andere werkwoorden

Bv. Volgende week zal ik naar Brussel verhuizen.

Bv. De zon zal morgen schijnen.

Naar boven



Imperatief

Vorm

De imperatief 

= de stam van het werkwoord

= infinitief zonder -en

= de ik-vorm


De imperatief heeft geen subject.

Kook het water.

Bak het brood.

Roer de soep.


Plaats in de zin

De imperatief staat altijd op de EERSTE PLAATS in de zin.


Gebruik

1. voor een gebod (instructie, advies, suggestie, tip)

Om een bevel vriendelijker te maken kan je er kleine woordje tussenzetten zoals:
 maar, eens, even, eens even, toch, ...


2. om iets te verbieden

Naar boven



Reflexieve werkwoorden

Bv. zich excuseren
ik excuseer me wij excuseren ons
jij excuseert je jullie excuseren je
hij/zij excuseert zich zij excuseren zich

Andere werkwoorden:

zich wassen, zich aankleden, zich uitkleden, zich afdrogen, zich scheren, zich kammen, 

zich vergissen, zich goed voelen, zich slecht voelen, zich excuseren, ...

Naar boven



Modale werkwoorden

moeten mogen willen kunnen
ik moet ik mag ik wil ik kan
jij moet jij mag jij wil / wilt jij kan / kunt
u moet u mag u wil / wilt u kan / kunt
hij/zij/het moet hij/zij/het mag hij/zij/het wil hij/zij/het kan
wij moeten wij mogen wij willen wij kunnen
jullie moeten jullie mogen jullie willen jullie kunnen
zij moeten zij mogen zij willen zij kunnen

Structuur: S + PV + Rest + andere werkwoorden

Naar boven



Scheidbare versus niet-scheidbare werkwoorden

In de hoofdzin

Scheidbare en niet-scheidbare werkwoorden bestaan uit twee delen.

Meestal is dat: VOORZETSEL + WERKWOORD. 

Bijvoorbeeld:

SCHEIDBAAR inspuiten: De arts spuit het medicijn in.
inslikken: Ik slik de pil in.
NIET-SCHEIDBAAR onderzoeken: De dokter onderzoekt de patiënt.
voorspellen: De leraar voorspelt mij een goede toekomst.

Kijk goed naar het verschil in de VTT.

Bij een niet-scheidbaar werkwoord is er geen prefix 'ge-'

Bv. De arts heeft het medicijn ingespoten. MAAR Hij heeft de patiënt onderzocht.

Let ook op de klemtoon! 


In de bijzin

Scheidbare werkwoorden in de bijzin: de twee delen van het werkwoord staan weer samen !

Bv. Hij zegt dat hij 's morgens meestal om 9 uur opstaat.

Bv. De dokter vroeg of hij zijn medicatie altijd op tijd innam.

Naar boven



Zou + infinitief

- Je kan zou graag + infintief gebruiken om een wens uit te drukken.

Bv. Ik zou graag muzikant worden.

Bv. Ik zou graag leren koken.

- Je kan zou + kunnen + infinitief gebruiken om een advies (een tip) te geven.

Bv. Heb je koud? Je zou een warme trui kunnen aandoen.

Bv. Geen zin in file? Je zou de trein kunnen nemen.

- Je kan zou + kunnen + infinitief gebruiken om een beleefde vraag te stellen.

Bv. Heb je koud? Je zou een warme trui kunnen aandoen.

- In voorwaardelijke zinnen drukt zou + infinitief een droom (fantasie) of hypothese uit.

Bv. Als ik rijk was, (dan) zou ik een villa kopen.

Bv. Als ik de eerste minister was, zou ik de belastingen afschaffen.

Als + OVT, (dan) zou .. + infinitief

Naar boven