In de bijzin worden de werkwoorden (PV en andere werkwoorden)
achteraan in de zin geplaatst.
Indirecte rede
Met "dat"
- hoofdzin: Ik hoor niets. → bijzin:
Ik zeg dat ik niets hoor.
- hoofdzin: Ze moeten morgen studeren. → bijzin: Je weet dat
ze morgen moeten studeren.
|
zeggen, vinden, denken, weten, geloven,
beloven, hopen, zeggen, horen, zien, ... + DAT +
BIJZIN
|
Met "of"
- hoofdzin: Komt Peter morgen? → bijzin:
Ik vraag of Peter morgen komt.
- hoofdzin: Wil je nog iets drinken?
→ bijzin: Hij vraagt of
je nog iets wil drinken.
| JA/NEE-VRAAG (= zonder vraagwoord): OF + BIJZIN |
Met een vraagwoord
- hoofdzin: Wie woont niet in Gent?
→ bijzin: Ik vraag me af wie
niet in Gent woont.
- hoofdzin: Wat heeft hij gekocht?
→ bijzin: Ik weet niet wat
hij gekocht heeft.
Andere vraagwoorden:
- welk: Ik wil weten welk
boek je gelezen hebt.
- waar: Ik weet niet waar
ik mijn sleutels gelaten heb.
- wanneer: Hij vraagt wanneer
je nog eens op bezoek komt.
- hoe: Hij wil niet vertellen hoe
hij dat gedaan heeft.
- waarom: Hij vraagt waarom
ik het raam dichtdoe.
- hoeveel: Hij wil weten hoeveel
kinderen je hebt.
- hoelang: Ze vraagt hoelang
je hier blijft.
| VRAAG MET VRAAGWOORD: VRAAGWOORD + BIJZIN |
Naar boven
Onderschikkende voegwoorden
omdat
OMDAT drukt een reden uit.
- Tanja wil terug naar haar land want ze vindt België een koud land.
Tanja wil terug naar haar land omdat ze België een koud land vindt.
- Tanja wil terug naar haar land want ze wil haar familie terugzien.
Tanja wil terug naar haar land omdat ze haar familie wil terugzien.
- Tanja wil terug naar haar land want ze heeft hier geen werk gevonden.
Tanja wil terug naar haar land omdat ze hier geen werk heeft gevonden / gevonden heeft.
|
WANT + HOOFDZIN → want + S + PV + rest + andere werkwoorden
|
|
OMDAT + BIJZIN → omdat + S + rest + PV + andere werkwoorden
|
als
ALS drukt een voorwaarde uit.
- Ik ga naar de dokter als ik ziek ben.
- Ik ga naar de dokter als ik veel moet
overgeven.
- Ik ga naar de dokter als ik me pijn heb
gedaan.
- Ik ga naar de dokter als ik me pijn
gedaan heb.
|
ALS + BIJZIN → ALS is een onderschikkend
voegwoord
→ als + S + rest +
PV + andere werkwoorden
|
Het kan ook zo :
- Als ik ziek ben, ga ik naar de dokter. (inversie!)
- Als ik ziek ben, dan ga ik naar de dokter. (inversie!)
toen
TOEN drukt een éénmalige handeling in het verleden
of een periode in het verleden uit.
Na TOEN gebruik je OVT (imperfectum).
- Iedereen ging naar huis toen
het vijf uur was.
- Iedereen ging naar huis toen
het donker begon te worden.
|
TOEN + BIJZIN → TOEN is een onderschikkend
voegwoord
→ toen + S + rest +
PV + andere werkwoorden
→ TOEN + OVT (imperfectum)
|
Het kan ook zo:
Toen het vijf uur was, ging iedereen
naar huis. (inversie!)
Naar boven